De evangeliën hebben, anders dan geschiedschrijving, tot doel om de lezers te motiveren tot een bepaald gedrag, namelijk het zich aansluiten bij of aangesloten blijven bij de gemeenschap en haar leer. Voor ons moderne lezers lijkt dit een diskwalificatie van de teksten. Wij maken een strikt onderscheid tussen feiten en fictie. Maar een antieke lezer zocht meer naar achterliggende waarheid en betekenis van een tekst. Het tweede-eeuwse geschrift “Hoe men geschiedenis moet schrijven” van Lucianus van Samosata laat dit duidelijk zien 1.
Neem elke andere tekst uit het tijdperk rond het begin van onze jaartelling waarin wonderen voorkomen of mensen tot god of halfgod verheven worden en je zult het direct herkennen als “mythe”. Er is geen enkele reden om voor de christelijke evangeliën en het boek Handelingen een uitzondering te maken 2.
Als je de verhalen in de evangeliën zou lezen zonder de gekleurde bril van de manier waarop deze verhalen in onze cultuur altijd als “ongeveer historisch” zijn gebracht, dan zie je dat veel elementen overduidelijk “mythisch” en/of “symbolisch” 3 zijn. Niet alleen omdat de “gebeurtenissen” buiten de wetten van de fysica gaan (Jezus die over water loopt, mensen opwekt uit de dood of een vijgenboom in een dag laat verdorren) of zeer onwaarschijnlijk zijn (zoals de al genoemde verhalen rond geboorte en sterven), maar ook omdat ze veel begrijpelijker zijn als ze symbolisch geïnterpreteerd worden of gelezen worden als een manier om Jezus’ bijzondere optreden te vertalen in verhalen die tot de verbeelding spraken: legendevorming dus.
Dr. Robert Eisenman schrijft hierover 4:
Het was de gewoonte in Grieks-Romeinse historische verhalen vanaf Thucydides dat de verteller belangrijke toespraken hield op basis van wat hij dacht dat de spreker zou of had moeten zeggen. Hetzelfde geldt voor Hebreeuwse literatuur uit die tijd en eerder. Daarom verwijzen we naar de enorme hoeveelheid van deze literatuur in welke taal dan ook als ‘pseudepigrafisch’. Deze benadering is in de evangeliën tot een kunstvorm verheven, in die mate dat er weinig of niets in hen kan worden vertrouwd als authentieke representaties van wat Jezus deed of zou kunnen hebben gezegd.
Onder andere Derek Lambert maakt dit heel duidelijk in zijn podcasts en vat zijn standpunt samen in deze video:
Dit wil niet zeggen dat er helemaal geen historische bron is voor de verhalen, maar wel dat we heel voorzichtig moeten zijn om de verhalen als historisch te zien. In sommige gevallen lijken de verhalen een historische kern te bevatten, maar in de eerste eeuwen van de jaartelling hebben processen van vergeestelijking, mimesis, mythologisering en bewerking de verhalen veranderd 5. Soms kunnen we een historische kern vinden, maar vaak is het gissen.
Charles Vergeer schrijft hierover (specifiek m.b.t. het Evangelie volgens Marcus, maar toepasbaar op alle evangeliën en Handelingen) 6:
Marcus wil ons niet laten weten dat in het voorjaar van het jaar 30 het voorhangsel in de tempel van Jeruzalem scheurde, en evenmin wil hij ons een detail beschrijven van de procesgang rond de aangeklaagde Nazarener. […] Beide keren treedt Marcus niet op als de historicus die feiten beschrijft en vastlegt, maar als evangelist, brenger van de blijde boodschap. Hij verkondigt het geloof…
Redactionele lagen in de evangeliën
De evangeliën zijn samengestelde teksten met meerdere redactionele lagen die uit verschillende theologische contexten komen. De lagen zijn geen objectief aantoonbare redactiestadia met scherpe grenzen, maar een analytisch model om de teksten te verklaren. De lagen en motieven die in mijn onderzoek naar voren komen, geef ik hier kort weer:
- Een radicale apocalyptische onderlaag. Vermoedelijk is deze afkomstig uit de vroege Joodse “Jezus-beweging”, een beweging die zich ‘Nazoreeërs’ (en vermoedelijk ook ‘Ebionieten’, de Armen) noemde. Deze beweging was Torah-houdend en geworteld in het Jodendom, met politieke en religieuze aspiraties voor het herstel van Israël als zelfstandige natie.
Lees verder: Jesjoea, de Nazoreeër en Nazoreeërs, Essenen, Zeloten. - Een laag van Farizeese en/of Esseense wijsheid. In de evangeliën vinden we herformuleringen van bestaande Farizeese ideeën (G. Vermes, E.P. Sanders, A.J. Levine) en ideeën die we in Josephus’ en Philo’s beschrijvingen van de Essenen tegenkomen (J.H. Charlesworth, J.P. Meier, M. Wise, R. Eisenman). Dat ze in de evangeliën voorkomen, betekent dus niet automatisch dat ze uniek christelijk of oorspronkelijk zijn. Lees verder: Het raadsel Jezus.
- Interpretatie van het christendom die aansluit bij het Hermetisme (R. Reitzenstein, H. Jonas, T. Engberg-Pedersen) en mysteriereligie (A.D. Nock, S. Angus, M. Eliade): Met name de paulinische brieven interpreteren Jezus als een hemels wezen wiens lijden en dood een verlossend mysterie zijn. Hoewel Paulus’ denken nog verankerd is in Joods-apocalyptisch denken, gebruikte hij religieuze taal die vergelijkbaar is met Hermetische teksten en Hellenistische en Perzische mysteriereligies. Ook de evangeliën zelf (vooral Johannes) hebben deze invloeden. Lees verder: De invloed van antieke religie en filosofie op het christendom.
- Hellenistisch-universalistische tendensen: In Alexandria en andere diaspora-centra vermengden Joodse en Griekse denkwijzen zich al eeuwen. Ook deze invloed zien we al in de “brieven van Paulus”, maar ook in de evangeliën. Als je de stijl van de evangeliën vergelijkt met rabbijnse teksten uit dezelfde of iets latere tijd (bijv. de Mishnah of uitspraken van Hillel), valt op dat de Griekse retoriek van de evangeliën veel meer past in de biografische en filosofische genres van het Hellenistische Rijk. We kunnen zelfs vermoeden dat sommige verhalen over Jezus verhaalsjablonen gebruiken uit Griekse goden- of heldenverhalen 7. Literatuurdeskundigen noemen dit “mimesis”. Lees verder: Mimesis in de evangeliën.
- Latere redactie, waaronder met name anti-Joodse polemiek: De evangeliën bevatten duidelijke sporen van Grieks-Romeins politiek gekleurde anti-Joodse polemiek. Het vermoedelijk oudste Evangelie volgens Marcus, waarschijnlijk ontstaan binnen een paulinisch-hellenistische gemeenschap in of nabij Rome, lijkt de overgeleverde tradities te hebben aangepast aan wat in de Romeinse context aanvaardbaar was (zie Marcus’ Romeinse evangelie). In dit proces wordt de verantwoordelijkheid voor Jezus’ dood grotendeels verschoven naar ‘de Joden’, vooral naar de hogepriesters en Farizeeën, terwijl de Romeinse autoriteiten consequent worden voorgesteld als terughoudend, aarzelend (Pilatus) of zelfs als ‘gelovigen’ (de hoofdman).
Daarnaast zien we in de evangeliën stereotype beelden over de Joden die ook bekend zijn uit andere Grieks-Romeinse polemiek tegen Joden in dezelfde periode, zoals beschuldigingen van koppigheid, wetticisme en religieuze hypocrisie 8. In het Johannesevangelie bereikt deze polemiek een hoogtepunt, waar ‘de Joden’ worden neergezet als tegenstanders van de waarheid, terwijl Jezus wordt voorgesteld als de universele verlosser wiens boodschap door zijn eigen volk is verworpen.
Waarschijnlijk liggen aan deze redactionele laag interne conflicten ten grondslag tussen Torah-getrouwe Joodse Jezus-volgelingen en steeds sterker gehelleniseerde, paulinische christelijke gemeenschappen. In de loop van de tweede eeuw zijn intra-Joodse theologische en ethische verschillen door redactionele bewerking en herinterpretatie omgevormd tot expliciet anti-Joodse polemiek.
Lees verder: Mimesis in de evangeliën.
- Momigliano, A. (1990). The classical foundations of modern historiography. Berkeley: University of California Press. ↩︎
- Burridge, R. A. (1992). What are the Gospels? A comparison with Graeco-Roman biography. Cambridge: Cambridge University Press.
Burkert, W. (1985). Greek religion: Archaic and classical. Oxford: Blackwell. ↩︎ - In het werk van Claude Lévi-Strauss wordt mythe opgevat als een symbolische taal waarin fundamentele, niet-zintuiglijk ervaarbare structuren van het menselijk denken worden uitgedrukt via concrete, zintuiglijke beelden en verhalen (Lévi-Strauss, 1955; 1958; 1964). ↩︎
- Eisenman, R. (1997). James the Brother of Jesus: The Key to Unlocking the Secrets of Early Christianity and the Dead Sea Scrolls. Viking Penguin, ↩︎
- Ehrman, B. D. (2016). Jesus before the Gospels: How the earliest Christians remembered, changed, and invented their stories of the Savior. New York: HarperOne. ↩︎
- Vergeer, C. (1997). Een nameloze, Jezus de Nazarener. Uitgeverij SUN, Nijmegen/Amsterdam. ↩︎
- Crossan, J. D. (1991). The historical Jesus: The life of a Mediterranean Jewish peasant. San Francisco: HarperSanFrancisco. ↩︎
- Schwartz, D. R. (1992). Luke, Acts, and the historiography of the Jews. Tübingen: Mohr Siebeck. ↩︎