Het raadsel van de vroege christelijke gemeenten

De beweging rond Jezus (Jesjoea) in Galilea en Judea was waarschijnlijk een Torah-houdende Joodse beweging. De aard van deze beweging onderzoek ik op andere pagina’s (te beginnen bij: Jesjoea, de Nazoreeër). Maar één van de raadsels rond het vroege christendom is: Hoe heeft het zich zo vroeg of snel kunnen verspreiden in de Grieks-Romeinse wereld? Terwijl Jezus rond het jaar 30 gekruisigd zou zijn, zijn er namelijk aanwijzingen dat er al in de jaren 40 van de eerste eeuw christelijke gemeenten bestonden in hellenistische steden. Aan de andere kant hebben tot in de vijfde eeuw groepen Torah-houdende Joodse “christenen” bestaan, vooral in Syrië en Transjordanië.

Een Joods-christelijke gemeenschap in Rome in de jaren 40

“De Joden maakten voortdurend tumult op instigatie van Chrestus. Daarom verdreef Claudius hen uit Rome.”

“De vita Caesarum”, Gaius Suetonius Tranquillus

Gaius Suetonius Tranquillus, bekend als Suetonius, was een Romeinse historicus en biograaf. Hij leefde waarschijnlijk van ongeveer 69 tot ongeveer 122 nC en staat vooral bekend om zijn werk “De vita Caesarum” (Levens van de Keizers), waarin hij de biografieën van de eerste twaalf keizers van Rome beschrijft. Bij zijn behandeling van keizer Claudius (41-54 nC) beschrijft hij de gebeurtenis rond deze “Chrestus”. Het voorval wordt doorgaans gedateerd rond het jaar 49 nC, maar kan ook eerder hebben plaatsgevonden. De gebeurtenis die Suetonius vóór deze tekst schrijft, is namelijk een gebeurtenis die gedateerd wordt in 41-42 nC.

We weten niet zeker of met deze “Chrestus” “Christus” bedoeld wordt en de passage verwijst niet expliciet naar een georganiseerde groep christenen, maar dit is wel waarschijnlijk. Als het niet om “Christus” (Griekse vertaling van het woord Messias) ging, dan zou Chrestus een Romeinse naam moeten zijn. Ten eerste wordt deze naam nergens anders gevonden en ten tweede is het – als het toch een Romeinse naam zou zijn – heel onwaarschijnlijk dat Joden een heiden/Romein zouden hebben gevolgd in een opstand.

Ook Tacitus schrijft over een opstand van Joden:

“Het is waar dat de Joden tekenen van onrust hadden getoond bij een oproerige uitbarsting, en toen zij hoorden van de moord op Caius (Caligula), was er geen oprechte onderwerping, omdat de vrees bleef bestaan dat een van de volgende keizers dezelfde bevelen zou kunnen geven.”

Tacitus schrijft hier over een opstand in Judea, dus niet over de opstand in Rome die Suetonius beschrijft. Het is echter wel waarschijnlijk dat deze opstanden met elkaar in verband stonden, want verderop in dezelfde paragraaf schrijft hij wél over de uitbanning van de Joden uit Rome:

“Het aantal Joden in Rome was toegenomen… Claudius beval hen om verspreid over de provincies te worden overgebracht, zodat zij geen bijeenkomsten meer konden vormen.”

Als dit zo is, dan moeten we ook de opstand in Rome plaatsen vlak na de liquidatie van Keizer Caius/Gaius Caligula of in ieder geval aan het begin van de regering van Claudius, dus rond 41 / 42 nC.

Ook Cassius Dio (60.6.6) schrijft over een verdrijving van Joden uit Rome:

“Wat de Joden betreft, die, hoewel ze het recht hadden in Rome te wonen, zich daar al te veel vermenigvuldigden en daardoor door hun invloed anderen tot hun levenswijze overhaalden, verdreef hij hen niet uit de stad, maar verbood hun wel samen te komen. Hij ontbond ook hun verenigingen die Gaius (Caligula) geherintroduceerd had.”

Ook Cassius Dio brengt dit dus in verband met de voorafgaande regering van Caligula.

Echter, Orosius (een kerkhistoricus uit de 5e eeuw) schrijft:

“In het negende jaar van Claudius werden de Joden, die Christus niet wilden erkennen, uit Rome verdreven.”

Dit negende jaar is dus het jaar 49. “Die Christus niet wilden erkennen” is waarschijnlijk een omgekeerde voorstelling van zaken gezien wat Suetonius schrijft, maar de datering zou kunnen kloppen.

Ten slotte noemt Handelingen 18:1-2 de gebeurtenis in verband met Paulus’ aankomst in Korinthe (zie verder hieronder):

“Na deze gebeurtenissen verliet hij Athene en ging naar Korinte. Daar leerde hij Aquila kennen, een Jood uit Pontus, die kort daarvoor met zijn vrouw Priscilla uit Italië was gekomen omdat Claudius had bevolen dat alle Joden Rome moesten verlaten.” 1

Het gaat bij Suetonius dus waarschijnlijk om een groep Joodse christenen in Rome in (het begin van) de jaren 40 en dan zou er op dat moment ook al een Joods-christelijke gemeenschap in Korinthe zijn geweest. Dit past ook bij het feit dat wat wij nu “christendom” noemen, ontstaan is als een Joodse groepering. Maar hoe heeft deze “Christus”-volgende Joodse beweging in Palestina zich zo snel verspreid binnen de Grieks-Romeinse wereld?

Aan wie schreven Paulus en Clemens?

De brieven van Paulus worden door de meeste deskundigen gedateerd in de jaren 50, uiterlijk de vroege jaren 60 nC. Ze adresseren christelijke gemeenschappen in verschillende steden in het Romeinse rijk. Er kan getwijfeld worden of Paulus werkelijk schreef aan alle steden die later boven de brieven zijn gezet, maar de meeste wetenschappers erkennen dat er op het moment dat Paulus schreef in ieder geval christelijke gemeenten waren in Anatolië en Klein Azië, Macedonië, Alexandrië en Griekenland. Dat maakt het heel waarschijnlijk dat er christelijke gemeenschappen in de jaren 50 in tenminste een aantal Romeins-hellenistische steden buiten Palestina.

De brieven zoals we die nu kennen spreken zelfs over een hiërarchische structuur van bisschoppen (επισκοπος, meestal vertaald als opzichters of opzieners). Paulus gebruikt dit woord al in Filippenzen 1:1 (gedateerd rond 61/62).

In 1 Korinthe 1:14 schrijft Paulus:

Ik dank God dat ik niemand van u – behalve dan Crispus en Gajus – heb gedoopt; niemand van u kan dus zeggen dat hij in mijn naam is gedoopt.

De gemeenschap in Korinthe bestond dus al voordat Paulus leraar werd in die gemeenschap, wat meestal rond 50 nC wordt gedateerd.

Hetzelfde gegeven vinden we in de brieven van (“paus”) Clemens van Rome. Clemens was een christelijke leider in Rome aan het einde van de eerste eeuw of mogelijk zelfs al in de jaren 70/80. Hij schreef brieven aan de gemeenschap in Korinthe. Daarin wordt duidelijk dat er in die tijd een georganiseerde christelijke gemeenschap in Rome was die meende gezag te kunnen uitoefenen op de gemeenschap in Korinthe. In zijn Brief aan de Korinthiërs verwijst hij naar een langdurige traditie van onderlinge relaties die teruggaat tot de tijd van Paulus: Hij schrijft over de “ἀρχαῖος χρόνος”, wat “oude tijden” betekent.

Hoe kan het dat er zo snel na de tijd dat Jezus geleefd zou hebben 2 christelijke gemeenten waren in deze steden? Hoe kan dit als de beweging pas met Jezus begonnen zou zijn, zoals het Nieuwe Testament en de christelijke kerk beweren? Was de “gemeente” in Judea wel gericht op het stichten van “buitenlandse” gemeenten?

De Joodse Torah-houdende gemeenschappen

Binnen het christendom groeide, waarschijnlijk in de tijd van Paulus, een scherpe tegenstelling tussen twee stromingen: de oorspronkelijke, Torah-houdende Joodse Jezusbeweging en een hellenistisch inclusief christendom.
De Joodse “christenen” erkenden Jezus (Jesjoea) als Joodse Messias, maar hielden zich volledig aan de Torah. Zij zagen zichzelf niet als aanhangers van een nieuwe religie, maar als deel van het volk Israël. Ze noemden zichzelf Nazoreeërs (Nazoraioi) en mogelijk ook Ebionieten (Ebionaioi) 3. Ze hielden vast aan Joodse gebruiken zoals sabbatviering, besnijdenis en kasjroet, maar erkenden ook Jezus als Messias. Ze gebruikten vermoedelijk een evangelie in het Hebreeuws of Aramees (soms aangeduid als het Evangelie van de Hebreeën of van de Nazoreeërs). Ebionieten worden vooral vanaf de 2e eeuw beschreven, onder meer door Irenaeus, Origenes, Hippolytus en Epiphanius. Ze verwierpen de goddelijkheid van Jezus, hielden vast aan de Torah, en wezen Paulus expliciet af. Ze bestonden volgens bronnen tot in de 4e of zelfs 5e eeuw, vooral in Syrië en Transjordanië.

De Pseudo-Clementijnse geschriften vertonen het duidelijkst nauwe overeenkomsten met de theologie die kerkvaders toeschrijven aan de Ebionieten. Ze leggen nadruk op morele zuiverheid, Torahtrouw en sociale gerechtigheid (identificatie met de “Armen”). Ook de Didache en de “Brief van Jakobus” weerspiegelen het gedachtegoed van de Torah-getrouwe Joods-christelijke tradities. De kruisiging en de opstanding van Jezus worden verrassend genoeg niet of nauwelijks in deze teksten genoemd. In de pseudo-Clementijnse literatuur wordt Paulus zelfs bekritiseerd onder de naam van ‘Simon Magus’.

Zending door Nazoreeërs / Ebionieten?

Of deze groepen van Nazoreeërs en/of Ebionieten gericht waren op het stichten van “buitenlandse” gemeenten, kunnen we niet met zekerheid achterhalen. De Pseudo-Clementijnse literatuur wijst hier wel op. De Homilieën en Recognitiones (3e–4e eeuw, maar gebaseerd op oudere overlevering) beschrijven hoe Petrus als de ware apostel van Jezus door Syrië, Fenicië, Klein-Azië en Griekenland reist om te prediken, te discussiëren met filosofen en ketters, en om gemeenschappen te onderwijzen. Hij wordt voorgesteld als iemand die — in tegenstelling tot Paulus — het ware evangelie vertegenwoordigt: een boodschap van monotheïsme, Jezus als ware leraar en Messias (maar niet goddelijk), morele reinheid, Torahgetrouwheid en redelijkheid. Bekering tot hun vorm van Jezus-geloof betekende toetreding tot het ware Israël, inclusief gehoorzaamheid aan de Torah.

Ook Paulus noemt in zijn brieven aan de Galaten en Korinthiërs het gezag van de apostelen in Jeruzalem en zelfs de komst van Petrus en andere “afgezanten van Jakobus” naar de gemeenschap in Galatië (Gal. 2:11-12).

Anti-Romeinse tendensen bij de Joodse “christenen”

Origenes verdedigt het christendom tegen de beschuldiging van de Romeinse filosoof Celsus dat het een Joodse sekte is die oproept tot opstand. Dit suggereert dat er destijds groepen Joodse christenen waren die dat beeld opriepen, dus (een) Joods-christelijke sekte(n) met messiaans-politieke, anti-Romeinse trekken.

Hippolytus schrijft over “drie groepen Essenen” die vóór het christendom bestonden. Eén groep lijkt in zijn beschrijving erg op de Essenen die Josephus beschrijft, maar een andere groep lijkt erg op de Sicariërs en/of Zeloten: ze dragen wapens, gebruiken geweld en geloven in een messiaanse oorlog. Hij beschrijft daarnaast de ‘Nazaraioi’ 4. Hij brengt deze groepen niet direct in verband met de latere Joods-christelijke groep(en) maar ik vermoed (zie andere artikelen) dat dit verband er wel degelijk is.

Epiphanius beschrijft de Ebionieten als mensen die het Romeins gezag verwierpen en noemt hen soms in één adem met sektarische Joden. In Panarion 30.16 noemt hij dat de Ebionieten mogelijk afstammen van de “Joodse sekte” die vluchtte uit Jeruzalem bij de belegering in 70 nC, wat zou kunnen wijzen op banden met de revolutionaire context van de Joodse oorlog.

Ook Eusebius schrijft over deze vlucht van de Joodse christenen uit Jeruzalem naar Pella ten tijde van de Joodse oorlog. Dit kan erop wijzen (zoals o.a. F.F. Bruce, Martin Hengel en Richard Bauckham concluderen) dat de vlucht naar Pella inhield dat deze Joodse christenen zich afkeerden van het Joodse verzet, maar het kan ook betekenen dat er daarvoor een splitsing moest worden gemaakt met andere Jezusvolgelingen die wel bij de opstand betrokken waren, wat suggereert dat binnen de bredere Jezusbeweging dus ook revolutionaire elementen aanwezig waren.

Mogelijke verklaringen

Aan de hand van mijn onderzoek ben ik in het artikel Het raadsel Jezus tot vijf scenario’s gekomen over de “historische Jezus” en de oorsprong van het Christendom. Welke van die scenario’s passen bij de bevindingen die ik hierboven genoemd heb?

Scenario 1: De Zelotische Jezusbeweging

Volgens dit scenario was Jezus leider van een Galilese Zelotenbeweging. Deze beweging was uiteraard religieus gemotiveerd en we kunnen Jezus zien als Leraar/Profeet én als Messias/Troonpretendent. Echter, de vredelievende, vijand-vriendelijke toon en de inclusie van heidenen die we in het Nieuwe Testament vinden, komt niet van Jezus, maar komt voort uit een andere stroming van Essenen en/of uit de Paulinische stroming (de inclusie van heidenen is vrijwel zeker een uitvinding van Paulus).

Dit scenario verklaart de aard van de gebeurtenis die Suetionius beschrijft, namelijk: “zij maakten voortdurend tumult”.

Het is goed voor te stellen dat Zelotische revolutionaire ideeën niet binnen Palestina bleven. Joden uit de “diaspora” kwamen vaak jaarlijks naar Jeruzalem en kwamen daar in aanraking met de verschillende stromingen die tegenover elkaar stonden.

Judas de Galileeër

Daniel T. Unterbrink stelt dat de Zelotische leider Judas de Galileeër model heeft gestaan voor de latere creatie van de Jezus van de evangeliën.
Hoewel deze these door weinig andere deskundigen wordt overgenomen, biedt het een nog betere verklaring voor de vroege aanwezigheid van “christelijke” gemeenten buiten Palestina. Het zou betekenen dat de “Jezusbeweging” ruim 20 jaar eerder is ontstaan dan altijd gedacht wordt. Judas zou volgens Unterbrink gekruisigd zijn rond 18 / 19 nC. Paulus is volgens Unterbrink mogelijk al vóór of aan het begin van Claudius’ regering naar Korinthe gegaan, wat de door Suetonius beschreven Joodse opstand in Rome ook aan het begin van de jaren 40 plaatst.

Maar ook zonder deze aanvechtbare hypothese is het op grond van Flavius Josephus’ geschiedschrijving duidelijk dat Judas de Galileeër en zijn “priester” Sadok vanaf het jaar 6 nC in Palestina actief zijn geweest om hun anti-Romeinse idealen uit te dragen. Als Jezus dus een Zelotische leider in de lijn van Judas was en door zijn volgelingen als Messias werd gezien, kan dit goed de door Suetonius beschreven gebeurtenis verklaren.

Dit scenario maakt echter niet direct duidelijk hoe het kan dat de geschriften uit de Joods-christelijke oorsprong-gemeenschap na Jezus (zoals de Didache, de Brief van Jakobus en later de Pseudo-Clementijnen) zo sterk de nadruk leggen op ethiek, zuiverheid, Torahtrouw en sociale gerechtigheid en dat hierin geen enkele anti-Romeinse of Zelotische tendens te ontdekken is. Met dit scenario als startpunt kan een verklaring voor het laatste wel worden toegevoegd (zie De werkelijke handelingen van de “apostelen”). Ter ondersteuning van dit scenario: we zien in citaten uit teksten van de Nazoreeërs en Ebionieten (die zijn overgeleverd door kerkelijke schrijvers) wél Zelotische tendenzen.

Scenario 2: Jezus als vredelievende én radicale leraar

Volgens dit scenario was Jezus een religieus-ethisch leraar die voortkwam uit de Messiaans-apocalyptische beweging (mogelijk Esseens), die door zijn radicale prediking en symbolische tempelactie als een bedreiging werd gezien en terechtgesteld. Hij verkondigde urgentie in het doen van de Wet, liefde en barmhartigheid maar tegelijk een concrete verwachting van het ingrijpen door God. Hij was radicaal zonder gewelddadig te zijn. Zijn uitspraken en het beeld van zijn persoon werden na zijn dood in meerdere richtingen doorontwikkeld: Esseens, Zelotisch, Farizees/halachisch, Paulinisch (synthese met Hellenisme) en vroeg-gnostisch / hermetisch.

Dit scenario verklaart de hiërarchische structuur in de christelijke gemeenschappen als ontleend aan de Essenen. Ook is het goed mogelijk dat de Esseense opvattingen al vóór Jezus werden verspreid naar Joden in de diaspora via jaarlijkse bezoeken aan Jeruzalem. (Philo lijkt een Esseens-achtige gemeenschap buiten Palestina te beschrijven onder de naam Therapeutae.)

Ook passen de bij scenario 1 genoemde Joods-christelijke geschriften goed bij een radicaal-Messianistische maar vredelievende Joodse stroming.

Als verklaring voor de opstand in Rome en Zelotische elementen bij de Ebionieten en/of Nazoreeërs vraagt dit scenario meer speculatie, namelijk dat de oorspronkelijk niet-gewelddadige boodschap van leraar Jezus door sommigen als revolutionair werd opgevat en dat op grond van die interpretatie de opstand in Rome ontstond. Aanwijzingen hiervoor vinden we in de Slavische versie van het Testimonium Flavianum, maar deze versie wordt (net als de Griekse versie ervan) door de meeste wetenschappers dan weer niet als authentiek erkend.

Scenario 3: Jezus ontwikkelde zich van Esseen tot Zeloot

Jezus was Leraar/Profeet en religieus leider die voortkwam uit de Messiaans-apocalyptische beweging (waarschijnlijk Esseens). Hij was een Leraar die naastenliefde, barmhartigheid, zachtmoedigheid en nederigheid leerde en opkwam voor de armen, maar streng optrad tegen rijken en mensen die met de Romeinen heulden. Hij kwam pas in zijn laatste fase tot de overtuiging dat hij degene was die als Messias de macht moest grijpen.

Deze synthese biedt een verklaring voor het “tumult op instigatie van Chrestus” dat Suetonius beschrijft én voor de toon en inhoud van joods-christelijke geschriften als de Didache en de Brief van Jakobus.

Scenario 4: Jezus is een samensmelting van personen

Het gaat om een samensmelting van (minimaal) twee personen. De vredelievende en vergevingsgezinde spreuken zijn voortgekomen uit de vredelievende Esseense stroming, mogelijk van één specifieke leraar, mogelijk van meer dan één persoon. De strenge en revolutionaire spreuken en gebeurtenissen zoals de intocht in Jeruzalem, de tempelreiniging en de broodvermenigvuldiging terug te voeren op verhalen over één of meer rebellenleider(s).

Dit scenario biedt een verklaring voor de tegenstellingen die we vinden tussen alle verschillende Nieuw-Testamentische beelden over Jezus, maar heeft daarvoor de aanvechtbare stellingname nodig dat Jezus niet één persoon is geweest.

Scenario 5: Er is niet één Jezus geweest

Er is niet één Jezus geweest. De evangeliën zijn het resultaat van de strijd tussen de verschillende Joodse stromingen. Spreuken en gebeurtenissen komen van uit verschillende bronnen en gaan terug op verschillende mensen. Later is alles in een Romeins-hellenistisch heldenepos gegoten en gekoppeld aan een Zeloot wiens echte naam en leven niet meer te achterhalen zijn.

Ook dit scenario is mogelijk maar biedt geen verklaring voor “Chrestus” die de Joden in Rome tot tumult aanzette. Natuurlijk is het niet zeker dat met deze “Chrestus” Jezus bedoeld werd, maar gezien alle overige data wel waarschijnlijk, wat dit scenario dus minder waarschijnlijk maakt.


  1. Hoewel Aquila en Priscilla Romeinse namen zijn, gaat hier vermoedelijk om een Joods echtpaar met Romeinse namen, wat zeer gebruikelijk was onder diaspora-Joden in het westen van het Rijk. ↩︎
  2. De dood van Jezus wordt in het algemeen gedateerd tussen 27 en 33 nC. ↩︎
  3. Nazoreeërs en Ebionieten worden beide genoemd door kerkvaders als Epiphanius (4e eeuw) en Hiëronimus (4e–5e eeuw). ↩︎
  4. https://robertheisenman.com/sicarii-essenes-those-of-the-circumcision-and-qumran/ ↩︎