In de hellenistische steden van het Romeinse rijk waren er verschillende voorchristelijke filosofische en religieuze groepen die overeenkomsten blijken te hebben gehad met het latere christendom van Paulus. Volgens sommige wetenschappers zijn deze een voedingsbodem zijn geweest voor Paulus’ missie. Hieronder behandel ik enkele groepen waarop het van oorsprong Joodse geloof in de door God opgewekte Messias een zodanige aantrekkingskracht gehad moet hebben, dat leden van deze groepen zich bekeerden tot deze nieuwe religie in wording.
Deze zogenaamde “mysterieculten” hadden rituelen en geloofssystemen die alleen toegankelijk waren voor ingewijden. Sommige culten hadden initiatierituelen met onderdompeling. In deze wereld was het niets nieuws dat een mens geadopteerd werd tot Zoon van God. We zien dit ook in de legendevorming over bijvoorbeeld Alexander de Grote, Caesar Augustus en Demetrius Poliorketes.
Mijn overtuiging is dat de aard van de latere niet-Joodse christelijke gemeenten in het Romeinse Rijk sterk beïnvloed is door deze mysteriegroepen.
De cultus van de Kabeiren
De Kabeiren, ook bekend als de Cabeiren of Cabiren, waren mysterieuze goddelijke figuren uit de vóór-Griekse mythologie, vereerd in verschillende delen van de Griekse wereld, vooral op het eiland Samothrake en in de regio Boeotië. De cultus van de Kabeiren stamt waarschijnlijk uit de late bronstijd of vroege ijzertijd (ca. 12e–9e eeuw vC). De cultus van de Kabeiren was geheimzinnig en omgeven door mysteriën, en hun aanbidding werd gekenmerkt door rituelen, initiaties en geheime ceremonies die alleen toegankelijk waren voor ingewijden.
Duitse theoloog en hoogleraar Walter Burkert heeft gesuggereerd dat sommige elementen van de Kabeiren-cultus mogelijk invloed hebben gehad op bepaalde aspecten van het vroege christendom, met name op de ontwikkeling van christelijke mysteriecultussen en rituelen. Hij wijst op overeenkomsten tussen de geheime initiatieriten en mysterieuze praktijken van de Kabeiren-cultus en die van de vroege christelijke gemeenschappen, zoals de nadruk op mysteriën, rituelen van inwijding en geheime kennis.
Sibyllisten
De term “Sibyllisten” verwijst naar aanhangers van de sibyllijnse profetieën, die voortkwamen uit de traditie van de Sibyllen. Sibyllen waren profetessen uit de oudheid. De oorsprong van deze Sibyllisten ligt vóór wat wij kennen als christendom, waarschijnlijk de 8e–6e eeuw vC en kreeg haar klassieke vorm in de 5e–4e eeuw vC. De Sibyllen stonden bekend om hun vermeende vermogen om de toekomst te voorspellen en advies te geven aan mensen en gemeenschappen. De Sibyllische geschriften waren belangrijk in de Romeinse religie. Vanaf de derde eeuw vC tot de eerste eeuw nC verschijnen Griekse en Joodse thema’s in deze teksten, met name in Alexandrië (met grote populatie Grieken en Joden). Hier worden de 12 orakelteksten gebundeld in de Sibyllijnse profetieën met daarin ook teksten over Romulus, Saturnus, Homerus, Noachs ark, de toren van Babel, Mozes, Virgilius, Cyrus de Grote, Alexander de Grote en Caesar Augustus en goden als Aries, Kronos, Aphrodite, Zeus en de Titanen. De Sibyllijnse profetieën behandelden verschillende onderwerpen, waaronder religieuze rituelen, politieke gebeurtenissen, en sommige bevatten vermeende voorspellingen over de komst van een messiaanse figuur.
Sommige christelijke schrijvers (Justinus Martyr, Clemens van Alexandrië en Origines) gebruikten deze profetieën om het geloof in Jezus als de messias te ondersteunen, aangezien ze beweerden dat de Sibylle Christus had voorspeld.
De latere christelijke groep van de Montanisten (Illuminati) wordt ook Sibyllisten genoemd, in feite dus een Sibyllijns-christelijke sekte. Het Bijbelboek Openbaring van Johannes heeft veel verwantschap met Sibyllijnse teksten, zoals Openbaring 20 waarin goden als Gaia, Uranus, Hades, Thanatos, Thalassa genoemd worden. (Openbaring is zelfs toegevoegd aan de canon vanwege de sekte van de Montanisten).
Er is dus een duidelijke doorgaande lijn van deze groepering in het christendom.
Dionysus-cultus
De verering van Dionysus, de god van wijn, extase en vruchtbaarheid, in de Dionysische Mysteries, gaat terug tot de 8e of 7e eeuw vC. Dramatische rituelen, zoals het Bacchae-festival, waren belangrijk. In deze extatische rituelen veranderden de deelnemers hun gebruikelijke sociale rollen. Dionysus zelf onderging mythische transformaties: In een versie van het verhaal werd Dionysus gevangengenomen door de Titanen, die hem in stukken scheurden en zijn vlees kookten. Slechts zijn hart bleef over, dat werd gered door de godin Athene. Zeus herstelde Dionysus vervolgens tot leven. Hij werd herboren uit het hart dat in een andere versie aan Zeus werd getoond door Athene. Na zijn wedergeboorte steeg Dionysus op naar de godenwereld en nam zijn plaats in tussen de Olympische goden.
In zijn brief aan de Efeziërs beschrijft Ignatius (eind 1e eeuw / begin 2e eeuw) een christelijke groep in termen van een Dionysus-groep. Hij gebruikt woorden als Christophoroi (Christus-dragers), Thesmaphoroi (Fakkeldragers) en Naophoroi (Tempeldragers). Dit is typisch taalgebruik voor de Dionysus-cult. Dit betekent niet dat deze Efeziërs Dionysus-aanbidders waren. Maar het is goed mogelijk dat zij dat vroeger wél geweest waren.
Orphisten
De Orphisten waren volgelingen van de mythologische figuur Orpheus, een legendarische zanger en dichter uit de Griekse mythologie. De Orphische traditie ontstond al in de 6e–5e eeuw vC in Griekenland. De Orphisten geloofden in een mystieke vorm van religie die gericht was op het zuiveren van de ziel en het bereiken van verlossing. Ze geloofden in de onsterfelijkheid van de ziel en hadden complexe rituelen en geheimen die alleen bekend waren bij ingewijden. Orphistische leringen hadden invloed op verschillende aspecten van de Griekse religie en filosofie, en hun rituelen omvatten zuivering, initiatie en spirituele wedergeboorte.
Clemens van Alexandrië (150-215 nC) schrijft over Orphistische tradities en zelfs dat Christus de nieuwe Orpheus is. Daarnaast zijn er in catacomben afbeeldingen van Jezus gevonden die lijken op afbeeldingen van Orpheus.
Pythagoreïsche broederschappen
De Pythagoreïsche broederschappen ontstonden in de 6e eeuw v.Chr. in Zuid-Italië rond de filosoof Pythagoras van Samos. Ze vormden gesloten gemeenschappen die filosofie, religie en wiskunde combineerden en geloofden dat het universum op getalsmatige harmonie berustte. Morele en rituele zuivering stond centraal: leden volgden een streng dieet (waarschijnlijk vegetarisch), leefden in eenvoud en stilte, en streefden naar bevrijding van de ziel uit de cyclus van wedergeboorten. Door kennis en morele discipline kon de ziel zich verheffen tot het goddelijke. Deze ideeën beïnvloedden latere mysterieculten, het Platonisme en via die weg ook het Hermetisme en de Gnostiek.
Baptisten in Korinthe?
Over een groep in Korinthe die waarschijnlijk aan één van de hierboven genoemde groepen verwant was wordt, zegt een oude tekst dat deze groep “Baptisten” (βαπτισταί) genoemd wordt, dat ze al in de vijfde eeuw vC ontstond en zegt dat Socrates en Alcibiades (medestudent van Plato bij Socrates) bij deze groep hoorden. Waarschijnlijk is de tekst waarin dit voorkomt retrospectief geschreven, dus: een latere auteur projecteert bekende baptistische gebruiken (zoals rituele reiniging door water) terug op klassieke figuren als Socrates.
We weten dus niet zeker of deze groep echt heeft bestaan, maar als dat wel zo is, dan het is mogelijk dat uit deze groep een syncretische beweging is ontstaan die invloed had in de eerste christengemeenten, of dat er ook hier een doorgaande lijn is geweest.
Hypsistarianen
Een andere cult is die van de Hypsistarianen, ofwel de cult van Theos-Hypistos (Allerhoogste God (Elyon)) of Zeus-Hypsistos / Pantokrator. Deze cult bloeide in Korinthe, Athene, Klein-Azië en Macedonië vanaf de derde eeuw vC. Deze Hypsistarianen hadden een platonische kosmologie, hadden zondagse bijeenkomsten met maaltijden en eucharistie, begroeven hun doden in gedeelde catacomben, hadden een zorgsysteem en verdeling van bezit en ruilden banen op een democratische manier. Ze hadden weinig tot geen afbeeldingen van God. Soms gebruikten ze een adelaar of een ster. Ze waren vermoedelijk mensen van de lagere tot middenklasse, maar behoorlijk gemêleerd. Vrouwen, boeren en bevrijde slaven werden hetzelfde behandeld als andere leden. We weten echter weinig over wat zij geloofden.
Er zijn aanwijzingen dat deze groepen joodse connecties of zelfs een joodse oorsprong hadden. In 139 vC werden Joden uit Rome verbannen door Cornelius Hispalus op basis van een wet die de “corrumperende sekte” van “Jupiter Sabazius” verbood. Men vermoedt echter dat de Romeinen de Joodse Jahweh Sabaoth (“van de heerscharen”) verwarden met de Frygische cultus van Zeus/Jupiter-“Sabazius”.
Er wordt gedacht dat Handelingen 10 naar deze groep verwijst als “godvrezenden”, maar dit woord werd ook breder gebruikt voor niet-Joden die rechtvaardig leefden. Er wordt aangenomen dat de latere “bisschop” Clemens van Rome oorspronkelijk een slaaf was van ene Flavius Clemens die tot het jodendom overging en dus tot de groep “godvrezenden” gerekend kan worden. Gregorius van Nazianzus zegt dat zijn voorouders Hypsistarianen waren voordat zij zich bekeerden tot het christendom. Hij beschrijft hen als syncretische joden. De cultus zou voortkomen uit de Frygisch / Cappadosische cultus van Zeus-Sabazios, een syncretische cultus (de Grieken associeerden Sabazios, de ruitergod, met Zeus en Dionysus).
Mithras-cultus
Mithra was een Perzische godheid die werd geassocieerd met het zonlicht en de overwinning op het kwaad. In de 2e tot 1e eeuw vC ontstonden in Klein-Azië en het oostelijke Middellandse Zeegebied syncretistische vormen van Mithra-verering, waarin Perzische, Babylonische en Griekse elementen samenvloeiden.
Rond het midden van de 1e eeuw nC werd deze cultus erg populair onder Romeinse soldaten en handelaars. De Mithraïsche mysteriën kenden rituelen en inwijdingsceremonies die plaatsvonden in ondergrondse heiligdommen, bekend als Mithraea. Deze mysteriecultus legde de nadruk op thema’s als wedergeboorte, overwinning op de dood en het bereiken van onsterfelijkheid. Het Mithraïsme groeide sterk in verschillende delen van het Romeinse rijk, waaronder in Tarsus, de welvarende stad in het zuiden van Klein-Azië, waarschijnlijk de stad waar Paulus opgroeide. In de Mithraïsche mysteries werd de aanbidding van Mithras geïntegreerd met symboliek die verband hield met wedergeboorte, zuivering en onsterfelijkheid. Het lijkt er sterk op dat Paulus hierdoor beïnvloed is.
“Hermetische gemeenten”
De hermetische stroming (het hermetisme) is ontstaan vanaf de eerste eeuw vC in het culturele smeltkroesgebied van hellenistisch Egypte, met name in Alexandrië. Het was een synthese van Egyptische religie, Griekse filosofie (vooral platonisme en stoïcisme) en joods-hellenistische mystiek.
Hermetische groepen vormden waarschijnlijk kleine kringen van ingewijden, vergelijkbaar met de mysterieculten die ik hierboven noemde. Ze kwamen samen voor onderricht, meditatie, het zingen van hymnen (!) en rituelen van inwijding, onder andere met water. Ook deze groepen lijken dus sterk op de vroege christelijke gemeenten, die eveneens kennis, gemeenschap en ritueel als weg tot verlossing zagen.
In mijn artikel over de Essenen schreef ik al over de groep die Philo de “Therapeutai” noemt, een ascetische gemeenschap in de buurt van Alexandrië. De beschrijving van Philo heeft veel overeenkomsten met zijn beschrijving van de Essenen in andere werken. In By Light, Light: The Mystic Gospel of Hellenistic Judaism (1935) en in zijn latere werk over Joodse symboliek zag E.R. Goodenough de Therapeuten niet als Essenen, maar als een hellenistisch-joodse mystieke groep in Egypte. Ze zouden filosofisch-contemplatieve Joden zijn geweest die sterk beïnvloed waren door Platonisme en hermetisch gedachtegoed. We zouden deze groep kunnen zien als een “missing link” tussen het Hermetisme en het hellenistisch christendom.
Paulus en de hellenistische culten
Het is goed voorstelbaar dat Paulus in zijn missies door de oostelijke Middellandse Zee contact kreeg met (Joods-)hellenistische groepen zoals de groepen die ik hierboven noemde:
- Ze waren vertrouwd met platonische en stoïcijnse ideeën over de ziel en het goddelijke.
- Ze beoefenden soms ascese of mystieke rituelen.
- Sommige groepen lazen de Septuaginta en interpreteerden die allegorisch.
Zulke groepen kunnen een natuurlijke voedingsbodem zijn geweest voor Paulus’ interpretatie van Jezus als kosmische Logos en voor zijn idee dat de gelovige door kennis en Geest kon delen in het goddelijke leven.
Zie verder: De invloed van antieke religie en filosofie op het christendom.