De Christus-mythe en ik

Richard C. Miller 1 stelt dat de opstandingsverhalen in het Nieuwe Testament vooral moeten worden begrepen in een mythisch-literair-symbolische context. Verschijningen van Jezus sluiten volgens hem aan bij patronen van verschijningen van helden of goden die we ook in veel andere literatuur van die tijd vinden. In het interview hieronder geeft Miller antwoord op de vraag: Geloofden de Grieken die mythen eigenlijk zelf?

Uitvoerig citaat uit dit interview:

Door middel van deze verschillende verhalen, door je over te geven aan geloof en binnen te stappen in de wereld die daar wordt gepresenteerd (wat iets anders is dan weten), kon je transcendentie bereiken, vroomheid, of op een of andere manier gunsten verkrijgen. Dachten ze in een soort hyperletterlijke zin dat dit allemaal waar was? Nee. Dat weten we uit verschillende studies. We hebben Mary Beard, Robert Price, Paul Veyne (een Franse antropoloog die hierover een boek schreef: Did the Greeks Believe Their Myths). […]

In het Nieuwe Testament wordt je niet gevraagd dingen te weten, maar te geloven, dingen te belijden. […]

Wat is een legende eigenlijk? Het bevindt zich ergens tussen letterlijk en mythe in. Vaak gaat het om een historische figuur of een mythe die in een harde historische context is geplaatst, maar dan als versiering, als sterk verhaal. Dus: wie was Paul Bunyan, wie was Davy Crockett, wie was Robin Hood of koning Arthur, of noem ze allemaal maar op. […] Ze kunnen wel of niet bestaan hebben. Het bestaan op zich doet er bijna niet toe, want ze zijn losgemaakt van die alledaagse historische context en worden op zichzelf gebruikt voor cultische doeleinden. […]

Ik denk dat Jezus één van die figuren is die precies op die grens ligt. […] Kijk naar alle evangelieversies van hem en naar de vrijheid die ze hebben. Het is een grillige, verbazingwekkend creatieve literatuur die ze met hem bedrijven. Hij is bijna slechts een boegbeeld of een literair voertuig waarmee zij hun eigen school van christendom konden uitdrukken, hun eigen manier van presenteren, door hem te gebruiken als literair middel. […]

Daarbuiten denk ik dat het punt niet was om tot een soort pure, letterlijk-historische persoon te komen. Dat was niet waar ze mee bezig waren. Waar ze in geïnteresseerd waren, was: wat doet deze figuur […] in ons leven in termen van ons cultische streven naar transcendentie, naar filosofische extase, naar vroomheid, en naar het verkrijgen van zegeningen en deugden door mijn toewijding en inzet voor deze specifieke cultus. En dat is precies wat we vinden in de vroegste verslagen van wat de christenen deden en waar ze mee bezig waren.

Historicus en archeoloog Paul Veyne schrijft 2 dat de oude Grieken hun mythen tegelijk geloofden en niet geloofden: Mythen werden gezien als verhalen die een diepe culturele waarheid of identiteit uitdrukten, maar men nam ze niet noodzakelijk in een hyperletterlijke zin als werkelijk gebeurd aan. Voor Grieken was er geen scherp onderscheid tussen “geschiedenis” en “mythe”: een mythe kon in zekere zin “waar” zijn zonder dat men elk detail letterlijk aannam. Geloven in een mythe betekende: meedoen aan het verhaal, het gebruiken in rituelen, kunst of politiek, en het als betekenisvol beschouwen voor de gemeenschap.

Mythisch-symbolisch-christelijke spiritualiteit

Nadat ik het geloof in de letterlijke historische juistheid van de Bijbel had losgelaten, heb ik altijd – soms sterker, soms minder sterk – de overtuiging gehouden dat dat niet wilde zeggen dat de christelijke spiritualiteit daarmee betekenisloos werd. In mijn ogen is het grote probleem van het christendom van met name ná de verlichting dat men de Bijbelverhalen ziet als letterlijke weergaven van historische gebeurtenissen en de theologie als letterlijke weergave van een weliswaar “meta-“fysische werkelijkheid 3. Deze manier van kijken is naar mijn mening niet houdbaar en ze sluit de weg af voor een mythisch-symbolische interpretatie op de manier waarop dit juist leefde in de tijd waarin het christendom ontstond.

Er is een weg van christelijke spiritualiteit waarin de Nieuwtestamentische verhalen niet als historisch worden opgevat en het niet gaat over de historische Jezus (die zoals op deze website aangetoond nauwelijks vindbaar is en voor zover vindbaar totaal anders was dan de evangeliën beschrijven), maar waarin Christus als een “archetypische” / geestelijke realiteit kan worden ervaren (ik leg dit hieronder uit). Daarin wordt het ervaren van Jezus / Christus / God / de Heilige Geest niet simpelweg weggezet als hallucinatie, maar worden dit soort ervaringen beschouwd als ervaringen die zich voordoen in wat Jung een collectief onbewuste zou noemen, of wat anderen aanduiden als een geestelijke dimensie.

Bij deze manier van interpreteren voel ik me veel meer thuis dan bij de biblicisten. Deze manier van interpreteren van het christendom is zeker niet nieuw. Voordat ik op zoek ga naar een hedendaagse mythisch-symbolische manier van omgaan met de christelijke spiritualiteit, wil ik eerst kijken naar een aantal pogingen daartoe in het verleden. Dat zijn achtereenvolgens het gnostische en esoterische christendom, de psychologische interpretatie van Carl Jung, religiewetenschappelijke en filosofische interpretaties en het leggen van verbindingen tussen christendom en oudere mythologische en religieuze tradities.

De geschiedenis van mythisch-symbolisch christendom

De gnostiek en het Hermetisme

Al vóór het begin van onze jaartelling was Alexandrië een smeltkroes van Griekse filosofie, Egyptische tempelreligie, Joods hellenisme en mystiek (Kabbala). Joden, Egyptenaren, en Grieken leefden er samen, waardoor religieuze en filosofische ideeën zich vermengden. Uit deze ontmoeting ontstonden twee verwante stromingen: het hermetisme en de gnostiek. Beide zochten naar inzicht in de verhouding tussen mens, kosmos en het goddelijke. Het hermetisme zag de wereld als voortkomend uit de algoede God. De gnostiek zag de materie als het werk van een lagere schepper (Demiurg), waarvan de mens slechts door kennis (gnosis) bevrijd kon worden. Deze denkbeelden oefenden een diepe invloed uit op de vorming van christelijke theologie, mystiek en kosmologie.

Al in de brieven van Paulus en het Evangelie volgens Johannes is deze invloed zichtbaar. Al snel ontstonden gnostisch-christelijke groepen (o.a. Valentinianen, Sethianen en Marcionieten) die geloofden dat Christus een hemelse figuur was die op aarde verscheen als symbool of boodschapper van geestelijke verlossing.

In de gnostische geschriften (Nag Hammadi, o.a. Evangelie van de Waarheid, Evangelie van Filippus) die werden geschreven in de 2e en 3e eeuw is Christus een hemels archetype. Verschijningen van de opgestane Jezus worden daar beschreven als geestelijke visioenen en niet als historische gebeurtenissen. Hoewel ze in de 2e tot 3e eeuw zijn opgeschreven, bevatten de teksten ideeën over Christus en gnosis die teruggaan tot de genoemde vroegere christelijke gemeenschappen uit de eerste eeuw. De eerste “canon” van het Nieuwe Testament werd zelfs samengesteld door een gnosticus: Marcion.

Vanaf de 2e eeuw begonnen kerkvaders zoals Irenaeus, Tertullianus en Hippolytus gnostische groepen scherp te bekritiseren en hun geschriften te veroordelen als ketters. Het vaststellen van het canonieke Nieuwe Testament rond de 4e eeuw betekende voorgoed dat gnostische teksten en leerstellingen verketterd werden. Toen het christendom in de 4e eeuw staatsgodsdienst werd, werden afwijkende stromingen effectief buitengesloten en vervolgd wat leidde tot het verdwijnen hiervan.
Wel bleven er esoterisch-christelijke tradities voorkomen zoals de Bogomielen, de Katharen, de middeleeuwse alchemie, de rozenkruisersleer en de vrijmetselarij.

In de 19e en 20e eeuw ontstond een nieuwe gnostisch-christelijke stroming. Helena Petrovna Blavatsky begon in 1875 de theosofische beweging, die zocht naar een synthese van religie, wetenschap en filosofie en naar gnosis/innerlijke kennis. De beweging combineerde ideeën uit christendom, hindoeïsme, boeddhisme, Kabbala en oud-Egyptische mysteriën. Deze beweging ziet Christus als één van de vele wereldleraren, niet uniek, maar onderdeel van een hiërarchie van “meesters van wijsheid”. Daaruit voort kwam de antroposofie van Rudolf Steiner (1913) die meer aansluit bij de westerse cultuur en Christus ziet als het unieke kosmische keerpunt in de evolutie van mens en aarde. De incarnatie van Christus is volgens de antroposofie hét middelpunt van de geschiedenis.

Pas in 1945 werden de oorspronkelijke christelijk-gnostische geschriften teruggevonden in de omgeving van Nag Hammadi.

Hedendaagse christelijke gnostiek

In het begin van de 20e eeuw richtten een aantal esoterische groepen uit o.a. Frankrijk en Engeland een “Gnostische Kerk” op, die zich zag als erfgenaam van de oude gnostici. In de jaren ’50 en ’60 vond dit gedachtegoed zijn weg naar Californië. Onder de naam “Ecclesia Gnostica” vestigde de kerk zich in Los Angeles met Stephan A. Hoeller als bisschop. De kerk baseert zich op de gnostische geschriften (Nag Hammadi-geschriften, Valentinus, Pistis Sophia). Gnostiek wordt gezien als een levende christelijke traditie, waarin Christus verschijnt als de brenger van gnosis: innerlijk, bevrijdend weten. De goddelijke vonk in de mens moet worden gewekt en bevrijd uit de materiële wereld, die gezien wordt als beperkt en onvolmaakt.

Er zijn enkele hedendaagse gnostisch-christelijke kerken en bewegingen, vooral in Noord-Amerika, maar vooral heeft het gnostische denken veel invloed gehad op de New Age-beweging.

De psychologische interpretatie van Carl Jung

Ook de beroemde psychiater en psycholoog Carl Gustav Jung dacht in deze richting. Jung heeft zich uitvoerig beziggehouden met gnostiek, theosofie en antroposofie, maar ontwikkelde zijn eigen visie. Hij vond de theosofie te speculatief, dogmatisch en “systeemgericht” en vond dat die mensen wegvoerde van hun eigen innerlijke ervaring. Jung kende ook het werk van Steiner (antroposofie). Steiner dacht een objectieve geesteswetenschap te kunnen bereiken, maar Jung koos voor een psychologische interpretatie van religieuze verhalen. Hij zag in de gnostische mythen een diepe verwantschap met de structuur van de psyche. Voor hem waren de gnostici de eersten die archetypische beelden van het onbewuste beschreven: projecties van het innerlijk op mythologische beelden. Jung zag Christus als een archetype van het Zelf. Wat betekent dit?

Volgens Carl Jung is het Zelf het centrum van de psyche, een eenheid van bewust en onbewust. Er is een individueel en een collectief onbewuste en beide zijn reëel aanwezig in ieder mens. Een archetype is een universeel, erfelijk psychisch patroon dat aanwezig is in het collectieve onbewuste en dat de manier beïnvloedt waarop mensen denken, voelen en handelen. Een archetype is dus ingebouwd in de menselijke psyche en is potentieel in iedereen aanwezig.
De concrete beelden die wij zien in mythen, dromen en verschijningen (bijv. een draak, Christus) zijn symbolische manifestaties van die diepere structuren.

Jezus Christus symboliseert voor Jung de totaliteit van het menselijke innerlijke leven, inclusief het collectieve onbewuste. Dit betekent dat Jezus niet (alleen) een historische persoon was, maar een psychologisch en spiritueel beeld is dat diepe menselijke ontwikkelingsprocessen weerspiegelt. Bijvoorbeeld: de geboorte, dood en opstanding van Jezus symboliseren psychologische transformatie: inwijding, crisis, integratie van tegengestelden, en “hernieuwd leven”. Jezus vertegenwoordigt de volledige integratie van tegenstellingen zoals leven en dood, lijden en verlossing, menselijk en goddelijk, bewust en onbewust.
Jung interpreteerde visioenen van Jezus, Maria of heiligen niet als hallucinaties of illusies. Het zijn ervaringen van archetypische realiteiten, die voortkomen uit de interactie tussen het individuele bewustzijn en het collectieve onbewuste. Zo’n ervaring is dus reëel op psychologisch én existentieel niveau: de ervaring brengt je in contact met diepere lagen van je psyche en met een universeel menselijk-spiritueel bewustzijn.
Voorbeeld: een mystieke ontmoeting met Christus kan een moment van integratie van innerlijke tegenstellingen betekenen, een ervaring van heelheid.

Het maakt volgens Jung dus niet uit of Jezus “historisch” opgestaan is. Het feit dat miljoenen mensen de opstanding beleven en ervaren, is een psychische realiteit die niet minder reëel is.

De Duitse theoloog en psychoanalyticus Eugen Drewermann 4 bouwt voort op Jung. Jung legde de basis voor een psychologische interpretatie van religie. Drewermann brengt deze interpretatie weer terug naar de christelijke theologie en spiritualiteit. Jung legt in verband met Christus de nadruk op de verzoening van het bewuste en het onbewuste. Voor Drewermann is Christus vooral symbool van bevrijding van angst, schuld en vervreemding.

Religiewetenschappelijke en filosofische interpretaties

Carl Raschke 5, voorman van de postmoderne theologie, combineerde Jungiaanse ideeën met postmoderne filosofie en theologie en schreef over de “Christus-mythe” als archetypisch verhaal. In “The Alchemy of the Word” laat Raschke zien hoe religieuze taal en symbolen werken als mythische en archetypische structuren: ze hebben betekenis door diepe, herkenbare patronen in het menselijk denken en voelen op te roepen. Het gaat er niet om historische feiten te bewijzen, maar om de symbolische kracht van het archetype “Christus” en de verhalen over Jezus. Verschijningen van Christus zijn volgens hem dus symbolische openbaringen: niet de letterlijke Jezus verschijnt, maar de symbolische / archetypische geestelijke werkelijkheid die geassocieerd wordt met Christus.

Godsdiensthistoricus Mircea Eliade 6 beschreef hoe we in mythische verhalen, inclusief christelijke, herhaalbare archetypische patronen kunnen herkennen die in rituelen en ervaringen steeds weer “werkelijk” worden.
Volgens hem zijn mythen niet gewoon oude verhalen, maar fundamentele manieren waarop mensen betekenis geven aan hun bestaan.
Mythen verbinden de mens en het alledaagse leven met het heilige. Rituelen reproduceren mythische gebeurtenissen en brengen deelnemers in contact met transcendentie. Mythen functioneren binnen gemeenschappen als collectieve geheugen- en belevingsstructuren. Ze hoeven niet letterlijk te zijn “gebeurd”; hun kracht ligt in het symbolische en existentiële waarheidsgehalte.
Veel mythische thema’s komen wereldwijd terug (schepping, dood en wedergeboorte, heldenreizen). Dit wijst volgens Eliade op universele structuren in religieuze beleving, die vergelijkbaar zijn met psychologische archetypen (zoals Jung later beschrijft). Volgens Eliade zijn verschijningen van heilige figuren, zoals Jezus, niet slechts psychologische verschijnselen, maar manifestaties van het heilige in de wereld. Hij noemt dit “hiërofanie”: een moment waarop het heilige zich openbaart in het alledaagse.

Theoloog/filosoof Paul Tillich 7 schreef over Christus als symbool van het ‘Nieuwe Zijn’. Hij ziet daarin de opstanding niet als fysiek feit, maar als een fundamentele spirituele ervaring. Ook Rudolf Bultmann, Friedrich Gogarten en John Macquarrie spreken vooral over de symbolische betekenis van Jezus / Christus.

Christendom in verbinding met oude religies

Mytholoog Joseph Campbell (1904–1987) 8 was ook beïnvloed door de ideeën van Jung en zag de verhalen en theologie rond Jezus / Christus als passend in het patroon van de mythische heldenreis, een patroon dat in heel veel culturen voorkomt: Jezus ondergaat beproevingen, sterft, en “verrijst”. Dit vergelijkt Campbell met helden uit andere culturen (Osiris, Dionysus, Mithras, etc.). Jezus / Christus is een voorbeeld van een universeel archetypisch motief, namelijk de held die transcendentie bereikt en een transformerende rol speelt voor de gemeenschap. Verschijningen van Jezus zijn volgens Campbell geen hallucinerende vergissingen, maar uitdrukkingen van een collectieve verbeelding waarin iets geestelijks zich aan mensen meedeelt.

Meer recente schrijvers als Timothy Freke, Peter Gandy 9 en Tom Harpur 10 borduren hierop voort en vergelijken de verhalen en christologie van het Nieuwe Testament ook met het patroon van oudere religies: Christus als mythisch archetype dat in de oudheid in meerdere vormen verscheen. Ook zij noemen voorbeelden als Osiris, Dionysus en Mithras.

Waar Campbell wetenschappelijk bleef en niet zegt dat het christendom letterlijk is afgeleid van andere religies, doen deze schrijvers dat wel. Hun interpretaties zijn dan ook duidelijk minder wetenschappelijk en vaak speculatief en stellig in het “bewijzen” dat Bijbelverhalen letterlijk zijn ontleend aan oudere religieuze verhalen.
Toch doen deze schrijvers wel boeiende pogingen om een gemeenschappelijke lijn te vinden die het christendom verbindt met andere religies en ze komen met creatieve invullingen voor een mythisch-symbolisch-christelijke spiritualiteit waarin ook symbolen en rituelen uit andere spirituele tradities worden opgenomen.

Bernardo Kastrups analytisch idealisme

De laatste tijd ben ik bijzonder geboeid door de filosofie van Bernardo Kastrup. Net als Jung ziet hij archetypen als vormen waarmee de geest zichzelf begrijpt, maar hij plaatst dit in het verband van zijn analytische idealistische filosofie: bewustzijn is niet een product van hersenen, maar de grond van de werkelijkheid. Religieuze verhalen weerspiegelen vanuit dat perspectief geen aardse of bovennatuurlijke geschiedenis, maar symbolische beschrijvingen van hoe bewustzijn zich organiseert, individualiseert en betekenis vormt.

In Waarom mythen geen onzin zijn 11 presenteert Bernardo Kastrup een mythisch-symbolisch model van religieuze verhalen. Mythen zijn voor hem geen primitieve verklaringen van natuurverschijnselen, maar symbolische vertalingen van de dynamiek van bewustzijn zelf. Religieuze beelden zijn uitdrukkingen van de werkelijkheid waarin het universele, allesdragende bewustzijn zich splitst, ontwikkelt en reflectief wordt.

In het landschap van mythisch-symbolische interpretatie van religie vormt Kastrups denken een eigentijds voorbeeld van hoe oude verhalen kunnen worden gelezen als poëtische uitdrukkingen van een werkelijkheid die we diep van binnen vermoeden. Niet als verslagen van historische feiten of dogmatische waarheden maar als symbolische verwijzingen naar de grond van de werkelijkheid.

Mijn eigen weg vanaf hier

Na twee jaar grondig onderzoek moet ik concluderen dat de historische Jezus niet volledig te reconstrueren is. De harde data zijn beperkt. Er zijn aanwijzingen, waarschijnlijkheden en vermoedens. De belangrijkste scenario’s heb ik verwoord in Wie was Jezus? Mijn voorlopige conclusies na twee jaar onderzoek. Nu is het tijd om los te gaan laten. Wellicht schaaf ik nog wat bij aan deze website en zal ik zo nu en dan nog wat aanvullen, maar ik geloof niet dat ik tot meer zekerheid kan komen over één van de mogelijke scenario’s.

Dit loslaten geeft me de ruimte om me misschien wat meer te verdiepen in de verhalen als symbolen, in wat ze mij te zeggen hebben in het ontdekken van individuele en collectieve onbewuste beelden en in de ervaringswaarde. Misschien ontstaat er meer ruimte om de bijbelverhalen te gaan ervaren als psychisch-spirituele archetypen: symbolen van menselijke groei, bewustzijnsontwikkeling en eenheid. Ook boeit mij het herkennen van archetypische patronen in mijn dromen, emoties en keuzes. Misschien dat ik ook wat vaker religieuze vieringen kan opzoeken met meer ruimte voor het symbolische daarin.

Een mythisch-symbolische interpretatie van het christendom nodigt me uit om Christus te zien als een archetypisch symbool, in plaats van een historisch persoon. Een symbool dat uitnodigt tot reflectie, verzoening, innerlijke groei, compassie en wellicht een grotere eenheid met een collectief spiritueel bewustzijn.

Gezien vanuit zo’n mythisch-symbolische interpretatie kan ik zelfs weer waardering voelen voor het christelijke beeld van ‘God’ die niet transcendent bleef maar de wereld (‘zijn schepping’) instapte in een mens die zichzelf opofferde om te laten zien wat Liefde is.

Otto Jager, 2025


  1. Miller, R.C. (2014). Resurrection and Reception in Early Christianity. Routledge. ↩︎
  2. Veyne, P. (1983). Les Grecs ont-ils cru à leurs mythes? Essai sur l’imagination constituante. Paris: Éditions du Seuil. ↩︎
  3. Een naam voor deze letterlijke interpretatie is Biblicisme. Dit is echt een verschijnsel van de Verlichting. Bij vroege kerkvaders en theologen als Augustinus, Anselmus en Thomas van Aquino zien we ook geloof in historiciteit van Bijbelse verhalen en in toenemende mate ook een rationele theologie, maar hun interpretatie van de Bijbel was nog minder letterlijk. Geen van hen zag de Bijbel simpelweg als een letterlijke verslaglegging van gebeurtenissen zoals een moderne historicus dat zou eisen, ook al geloofden ze dat veel ervan historisch werkelijk was. En geen van hen zag theologie als een letterlijk, objectief “beschrijven” van metafysische objecten. ↩︎
  4. Drewermann, E. (1998). Jezus van Nazareth: Bevrijding tot vrede (C. van de Pol, vert.). Zoetermeer: Meinema. (Oorspronkelijk werk gepubliceerd 1997) ↩︎
  5. Raschke, C. (1982). The Alchemy of the Word: Language and the End of Theology. Missoula: Scholars Press. ↩︎
  6. Eliade, M. (1963). Myth and reality (W. R. Trask, Trans.). Harper & Row. ↩︎
  7. Tillich, P. (1955). The new being. New York, NY: Charles Scribner’s Sons.
    Tillich, P. (2019). De moed om te zijn (7e dr.). Utrecht: Bijleveld.
    Origineel: Tillich, P. (1952). The courage to be. New Haven, CT: Yale University Press. ↩︎
  8. Campbell, J. (2004). The hero with a thousand faces (Commemorative ed.). Princeton University Press.
    Origineel: Campbell, J. (1949). The hero with a thousand faces. Princeton University Press. ↩︎
  9. Freke, T., & Gandy, P. (1999). The Jesus Mysteries: Was the ‘Original Jesus’ a Pagan God? London: Thorsons. ↩︎
  10. Harpur, T. (2004). De heidense Christus: Herontdekking van het verloren licht (J. de Vries, vert.). Ankh-Hermes. ↩︎
  11. Kastrup, B. (2024). Waarom mythen geen onzin zijn. Amsterdam: Samsara ↩︎