Er is wetenschappelijke consensus dat de evangeliën zijn op zijn vroegst in de periode 65 – 110 nC geschreven zijn, maar deze consensus wordt steeds meer ter discussie gesteld omdat een nog latere datering van drie van de vier evangelieboeken waarschijnlijk is.
Er zijn géén handschriften van de evangeliën teruggevonden uit de eerste eeuw, slechts twee fragmenten uit de 2e eeuw, uit de derde eeuw zo’n 30 fragmenten, en uit de vierde eeuw enkele tientallen.
Wanneer werd voor het eerst over de evangelieteksten geschreven?
Geen vermelding in de eerste eeuw
Paulus
Paulus gebruikt één tekst die doet denken aan een evangelietekst, namelijk de zogenaamde “instelling van het avondmaal” in 1 Korintiërs 11:23–25. Dat hij verder nergens naar evangelieteksten verwijst, is een aanwijzingen voor de hypothese dat er in deze periode nog geen evangelieteksten bestonden. Paulus had waarschijnlijk mondelinge overleveringen over Jesjoea gehoord, maar omdat hij hiervan verder nergens gebruikmaakt of zijn lezers erop attendeert, kunnen we weinig opmaken over wat de inhoud daarvan is geweest.
De Didache
Daarnaast is er de Didache, ook bekend als “Het Onderwijs van de Twaalf Apostelen”. Dit is een geschrift uit de vroege Joods-christelijke beweging. Het biedt praktische instructies voor christelijke gemeenschappen over onderwerpen zoals ethiek, eredienst, doop, vasten en leiderschap. Dit geschrift bevat enkele verzen die sterk lijken op uitspraken van Jezus zoals die te vinden zijn in de evangeliën, bijvoorbeeld op de richtlijnen van Jezus in de Bergrede. De Didache noemt echter niet expliciet dat dit uitspraken van Jezus zijn en vertelt ook niets over Jezus’ leven.
Ignatius
Het volgende wat aan de vier canonieke evangeliën doet denken, zijn teksten van Ignatius. Hij wordt verondersteld geleefd te hebben van ongeveer 35 tot 107 nC, zou vanaf 70 nC bisschop van Antiochië in Syria zijn geweest en zijn brieven worden gedateerd in de late eerste eeuw of vroege tweede eeuw 1. In zijn brieven gebruikt hij theologische taal die overeenkomt met die van de evangelieteksten, maar hij citeert niet en dus is er geen direct bewijs dat Ignatius bekend was met specifieke evangeliën zoals we die nu kennen.
Clemens
Aan het einde van de eerste eeuw maakte de kerkleider Clemens van Rome voor het eerst melding van brieven van Paulus, maar ook hij verwijst nog niet naar de evangeliën. Net als Paulus vertelt hij geen verhalen over Jezus’ leven, noemt geen wonderen, geen discipelen (behalve zeer algemeen), geen plaatsen, geen Pilatus. Hij noemt zelfs geen kruisiging als historisch evenement (zoals Paulus wel lijkt te doen).
Ook bij andere schrijvers die wel Paulus citeren of lijken te becommentariëren, zoals de Tweede Brief van Petrus, de brieven van Ignatius en Polycarpus, vinden we geen vermeldingen van de evangeliën of evangelieteksten.
Marcus: het vroegste evangelie?
Een traditionele theorie is dat het Evangelie volgens Marcus het vroegst geschreven evangelie is en dat dit (grotendeels) geschreven is vóór het jaar 70 (vanaf 65), met mogelijke afronding tussen 70 en 75 nC. Het argument hiervoor is dat Marcus niets schrijft over de Joodse Opstand / Oorlog en de verwoesting van de tempel in Jeruzalem (66-70 nC).
Naar mijn mening is dit geen krachtig argument. Ten eerste is het een negatief argument. Auteurs in het genre van religieuze en filosofische geschriften noemen vaker bepaalde gebeurtenissen niet die voor ons historisch wel relevant lijken, tenzij het theologisch of literair relevant is. Ten tweede: Hoewel Marcus de Joodse Oorlog niet expliciet noemt, kan zijn Evangelie juist het beste verklaard worden als een reactie op deze gebeurtenissen (hierover meer in Marcus’ Romeinse evangelie). Eén van de hoofddoelen van het Evangelie van Marcus juist om een Jezus neer te zetten die niets met revolutie tegenover de Romeinen te maken heeft.
Ten derde – en mijn belangrijkste argument – zijn de verdrukkingen die in Marcus 13 worden gepresenteerd als “profetieën” van Jezus juist een beschrijving van wat er gebeurde aan het einde van de Joodse Oorlog, toen de Romeinen Jeruzalem verwoestten en vrijwel de hele bevolking doodden of verdreven.
Dit maakt overigens een datering van het Evangelie volgens Marcus kort na het jaar 70 wel aannemelijk. Ook geef ik vooralsnog de voorkeur aan de opvatting dat (een versie van) Marcus als bron heeft gediend voor de twee andere synoptische evangeliën.
Papias over Marcus
Kerkvader en bisschop Papias van Hiërapolis noemde – mogelijk – voor het eerst teksten die we vinden in de evangeliën van Marcus en Matteüs. Ik schrijf “mogelijk”, want Papias’ werk “Uitleg van de woorden (logia) van de Heer” is niet bewaard gebleven. Wel zijn citaten van hem bij Irenaeus (plm. 130-202 nC) en Eusebius (263-339 nC) teruggevonden. Het werk van Papias werd in het verleden gedateerd in 95–110. Maar Irenaeus (140-200) zegt dat Papias oud was toen hij schreef en dat hij een vriend en leeftijdsgenoot was van Polycarpus (plm. 70 – 155 nC). En Eusebius begint pas Papias te citeren als hij over de tijd van keizer Hadrianus (117 tot 138) schrijft. Papias heeft daarom waarschijnlijk geschreven tussen ± 120 en 130.
Eusebius citeert Papias in zijn “Kerkgeschiedenis” (3.39.15-16). In dit citaat noemt Papias een Marcus die de “hermeneutes” (tolk) van Petrus was. Eusebius voegt daaraan toe dat dit de Marcus was die het evangelie schreef. Marcus zou zijn verhalen dan van Petrus hebben gehoord. Dit heeft geleid tot de traditionele opvatting dat er een directe lijn zou zijn van de ooggetuige Petrus naar de latere christelijke geschriften.
In het NT staat ook een tekst die een Marcus aan Petrus verbindt, namelijk 1 Petrus 5:13. Hier wordt hij Johannes Marcus genoemd en noemt de schrijver hem “mijn zoon”. Ook hieruit zou blijken dat hij een vertrouweling van Simon Petrus was.
Ook hoogleraar Theologie in Cambridge Geurt Henk Van Kooten volgt de patristische traditie (via Papias en Eusebius) dat Marcus als tolk van Petrus fungeerde en diens prediking op schrift stelde, waardoor hij het Marcusevangelie apostolisch gezag geeft.
Maar…
- Papias’ uitspraak is waarschijnlijk een lokale mondelinge traditie uit Klein-Azië. De uitspraak kan net zo goed een legitimatieverhaal zijn dat pas in de tweede eeuw ontstond, toen men behoefte kreeg aan apostolische autoriteit voor de groeiende hoeveelheid geschriften.
- Johannes Marcus is in werkelijkheid waarschijnlijk een metgezel van Paulus geweest. Hij komt veelvuldig voor in Handelingen. We weten dat Paulus en Petrus op gespannen voet met elkaar stonden (Galaten 2:11). Daarom is het niet waarschijnlijk dat Marcus ook een vertrouweling van Petrus was.
De auteur van het Marcus-evangelie volgt Paulus wel deels in zijn negatieve houding ten opzichte van Simon Petrus: Aan de ene kant wordt Simon Petrus met respect beschreven als “de Rots” (Kefas/Petrus) die Jezus als Messias aanwijst (Marcus 4:29), maar aan de andere kant wordt hij door Marcus op een effectieve manier zwart gemaakt in o.a. Marcus 4:33 (“Ga terug, achter mij, Satan!“) die Jezus driemaal verloochent (Marcus 14). - 1 Petrus is zeer waarschijnlijk niet geschreven door Petrus. De taal van de brief is laat Koine-Grieks in Septuaginta-stijl. De theologie in deze brief is duidelijk afkomstig uit de (post-)Paulinische traditie. De brief noemt slechts in één vage regel het menszijn van Jezus en schrijft helemaal niet over zijn kruisiging (behalve “die onze zonden op het hout heeft gebracht”, wat ook weer een paulinische verwijzing naar de offercultus is).
De brief noemt niet alleen Marcus, maar ook Silvanus, die volgens 2 Korinthe en 1 en 2 Tessalonicenzen ook een metgezel van Paulus was.
Alles wijst er dus op dat het een paulinische brief is en dit ontkracht de opvatting dat Marcus zijn overlevering op Simon Petrus baseerde. - Ook het Evangelie van Marcus is volgens de meeste deskundigen in onze tijd gebaseerd op de Paulinische theologie. Het stelt Jezus voor als de zoon van God die zijn leven geeft als offer voor de zonden van de wereld, het gebruikt begrippen als het “mysterie van het koninkrijk” (4:11), het beschrijft het geloof van heidenen en het onbegrip van Joden en Jezus’ directe volgelingen, de missie is universeel. Op andere pagina’s zal ik laten zien dat dit niet de oorspronkelijke overtuiging van Jezus’ volgelingen is geweest.
- Het verblijf van Petrus in Rome is omstreden. Clemens noemt Petrus’ martelaarschap, maar noemt Rome niet expliciet en zegt niets over wanneer of hoe. Pas in de tweede eeuw vinden we de traditie dat Petrus in Rome stierf. Ook Paulus noemt in zijn brief aan de Romeinen en in de gevangenisbrieven nergens dat Petrus in Rome was.
Papias noemde dus een traditie zonder bron en schreef niet dat het om de evangelieschrijver Marcus ging. 1 Petrus (pseudepigrafisch) versterkte de indruk van een Petrus–Marcus-band en Eusebius maakte er expliciet de auteur van het evangelie van. Vanaf de 2e eeuw ontstond zo koppeling van het Evangelie aan Johannes Marcus en van Johannes Marcus aan Simon Petrus om een directe lijn van ooggetuigen naar geschriften te suggereren. Historisch gezien is de relatie Marcus–Petrus in Rome daarom niet verifieerbaar.
We kunnen op basis van Papias dus niet concluderen dat de evangeliën ooggetuigenverslagen zijn, maar wel dat het Evangelie volgens Marcus vermoedelijk rond 120 een bestaand en bekend geschrift was.
De Evangeliën van Matteüs, Lukas en Johannes
De christelijke traditie ziet Matteüs en Johannes als directe discipelen van Jezus en Lukas als een assistent van Paulus. Matteüs wordt vereenzelvigd met de discipel Levi (de tollenaar) en Johannes met ofwel Johannes, de zoon van Zebedeüs, ofwel Johannes “de Oudere”.
Ook deze traditie wordt door bijna alle wetenschappers verworpen.
Matteüs
De toeschrijving aan de discipel Levi/Matteüs (de tollenaar) berust op latere kerkelijke traditie (opnieuw Papias, via Eusebius) en wordt door de meeste moderne onderzoekers niet als historisch aannemelijk beschouwd. De schrijver van dit evangelie is zelf de enige die in de lijst van twaalf discipelen “Matteüs” schrijft in plaats van Levi; dit zou erop kunnen wijzen dat de schrijver zijn evangelie met opzet in verband wilde brengen met een discipel (hoewel het geschrift oorspronkelijk anoniem is overgeleverd).
De auteur was hoogstwaarschijnlijk een hoogopgeleide, Grieks schrijvende Joodse christen, vertrouwd met de Joodse Bijbel in de Septuaginta-versie.
Literair gezien is Matteüs een bewerkend evangelie: De schrijver heeft ongeveer 90% van het Evangelie van Marcus overgenomen met op veel plaatsen stilistische en theologische aanpassingen. Een enkele tekst heeft hij mogelijk overgenomen uit het Johannes-evangelie of uit een bron van dat evangelie (Matteüs 11:27 ≈ Johannes 3:35, 13:3 en 10:15; Matteüs 10:24 ≈Johannes 15:20; Matteüs 10:40 ≈ Johannes 13:20, zie Van Kooten, 2025), wat zou betekenen dat het Johannes-evangelie of een bron hiervan bekend was vóór het Evangelie volgens Matteüs.
Het evangelie heeft een sterke redactionele structuur, met vijf grote blokken met redevoeringen (zoals de Bergrede), die bewust doen denken aan de vijf boeken van Mozes. De schrijver herschikte en herinterpreteerde zijn bronnen om Jezus te presenteren als de vervulling van de Wet en de Profeten en als de nieuwe, gezaghebbende leraar van Israël.
De belangrijkste redevoeringen komen niet voor in Marcus of Johannes, waardoor het onduidelijk is wat de oorsprong hiervan wel is (zie De oudste bronnen van de evangeliën). Verder komen in Matteüs naast de bekende wetshervormende uitspraken juist ook heel puristische en wetsgetrouwe uitspraken voor. Dit maakt het een raadselachtig geschrift. Veel wetenschappers denken dat de schrijver actief was in een gemeenschap die zich nog sterk tot het jodendom verhield maar daar ook toenemend van vervreemd raakte, wat o.a. blijkt uit de scherpe conflicten met Farizeeën en schriftgeleerden. Daarbij kan hij uit verschillende bronnen binnen die gemeenschap geput hebben.
De gangbare datering ligt tussen ca. 80 en 90 nC. Het is in ieder geval na de Joodse Oorlog afgerond. Net als Marcus heeft Matteüs voorspellingen die de Joodse Oorlog lijken te beschrijven. Ook zijn er passages die impliciet reageren op de verwoesting van Jeruzalem (22:1–7, 27:25). Nog duidelijker is dat Matteüs 23:35-36 de moord op Zacharias, zoon van Barachias / Baris, noemt die midden in de tempel werd vermoord. Deze zelfde moord wordt door Flavius Josephus beschreven en vond plaats in 69 na Christus. Dit is dus in ieder geval na die tijd geschreven. Een iets latere datering (tot ca. 100) wordt door sommige onderzoekers verdedigd.
Lukas
De datering die voor het Lucasevangelie (en voor Handelingen) gehanteerd wordt loopt sterk uiteen, van 60 nC tot 130 nC, maar de meeste wetenschappers (o.a. Fitzmyer, Pervo, Tyson, Crossan, Ehrman) nemen aan dat de schrijver van Lukas – net als Matteüs – het Evangelie van Marcus gebruikte. Ook Lukas heeft veel teksten die hetzelfde of bijna hetzelfde zijn als die in Marcus. In tegenstelling tot Matteüs richt Lukas zich duidelijk op niet-Joodse gelovigen. Recente onderzoekers (o.a. Vinzent en Van Kooten) dateren de uiteindelijke compositie van Lukas-Handelingen in de tweede eeuw.
Daarbij is het weinig waarschijnlijk dat de schrijver van Lukas de vermeende assistent van Paulus was. De theologie en chronologie van Lukas–Handelingen wijken op cruciale punten af van wat Paulus zelf schrijft. In Handelingen wordt Paulus consequent voorgesteld als in harmonie met de ‘apostelen’ in Jeruzalem, terwijl Paulus in zijn brieven juist benadrukt dat hij zijn evangelie niet van mensen ontving en regelmatig in conflict stond met andere leiders (Gal. 1–2). Ook zwijgt Lukas vrijwel volledig over kernpunten van Paulus’ theologie, zoals rechtvaardiging door geloof en de centrale rol van het kruis. Dit wijst erop dat de auteur geen directe leerling of medewerker van Paulus was, maar een latere, niet-Joodse schrijver die Paulus met terugwerkende kracht inpaste in een harmoniserend verhaal.
Johannes
Het Evangelie volgens Johannes is het meest afwijkende van de vier canonieke evangeliën. Wat opvalt is dat het geschreven moet zijn door een hoogopgeleide Grieks schrijvende Jood met goede kennis van Hellenistische literatuur, theater, filosofie en retoriek. Het sluit heel goed aan bij de geschriften van Philo (20 vC – 50 nC).
Hoogleraar Geurt Henk van Kooten redeneert 2 dat Johannes prima geschreven kan zijn door iemand die tot de eerste kring van volgelingen van Jezus behoorde (hij identificeert de schrijver met de door Papias genoemde “Johannes de Oudere”). Galilea en Judea zouden in die tijd al verregaand gehelleniseerd zijn. Het klopt dat Galilea en Judea niet cultureel geïsoleerd waren. Sepphoris en Tiberias in Galilea waren hellenistische steden. Grieks was aanwezig in administratie, handel en elites.
Ook wijst Van Kooten op teksten over het zwembadcomplex van Bethzatha / Bethesda (5:1-16) en de bouw van de tempel in 46 jaar (2:20) die erop zouden wijzen dat deze teksten van vóór de Joodse Opstand zijn én dat de schrijver een “sterke Jeruzalemitische achtergrond had”.
Maar: de tekst over Bethzatha in 5:2 expliciet retrospectief (terugblikkend): “Er was in Jeruzalem bij de Schaapspoort een bad…”. Het imperfectum (ēn) wijst op een terugblikkende beschrijving.
In 2:20 zeggen Joden tegen Jezus dat de tempel in 46 jaar gebouwd is (als reactie op Jezus’ uitspraak dat hij de tempel in drie dagen zal opbouwen). De periode van de tempelbouw was echter gemeengoed in de Joodse diaspora, niet exclusief bekend in Jeruzalem. Daarnaast kan het afkomstig zijn uit de schriftelijke of mondelinge traditie die de schrijver gebruikte. Ook lijkt de vermelding van “46 jaar” historisch precies, maar de schrijver gebruikt dit in een theologisch woordenspel.
Van Kootens conclusie dat hiermee het hele geschrift vóór de Joodse Opstand geschreven zou zijn, is dus niet houdbaar.
Belangrijker: Het is vrijwel zeker dat de gemeenschap van Jezus en Jakobus Joods en Aramees was. Jezus sprak Aramees (Talitha koum, Eli Eli, Abba) en Handelingen 21 laat zien dat de gemeenschap rond Jakobus expliciet Torah-houdend was. Het Johannes-evangelie duidelijk theologisch-dramatisch gecomponeerd door iemand met uitstekende kennis van Grieks filosofie en theater. De oorspronkelijke gemeenschap rond Jezus is niet het milieu waaruit een auteur van hoogstaand Grieks-filosofisch proza voortkomt. Het profiel van de schrijver van het Johannes-evangelie is dat van een diaspora-Jood uit de Alexandrijnse of Klein-Aziatische elite, kringen vergelijkbaar met die van Philo (o.a. R. E. Brown, J. Ashton).
Ten slotte: De volledig geïntegreerde Logos-christologie en vereenzelviging van Jezus met God (Joh. 1:1, 8:23, 8:58, 17:5) die in Paulus’ theologie nog ontbreekt en waarin de Joodse wortels, Philo, Stoïcisme en christelijke theologie zijn samengesmolten, veronderstellen een lang proces van interne discussies en ontwikkeling (o.a. L.W. Hurtado).
De meeste deskundigen concluderen daarom dat ook dit Evangelie geen geschrift van ooggetuigen is en dat de compositie laat (na 90 nC) gedateerd moet worden. Wel is het mogelijk dat Johannes bronnen uit de tijd van Jezus gebruikte die in omloop waren in zijn gemeenschap en die niet bekend waren bij de synoptische evangelieschrijvers.
Marcion van Sinope en zijn evangelie
In 130-140 is Marcion van Sinope (die vermoedelijk leefde in / rond de periode 85-160 nC) de eerste die een ‘canon’ creëert van christelijke geschriften, maar dit bevat enkel 10 brieven van Paulus (de 7 brieven die als authentiek worden beschouwd plus de 3 brieven die duidelijk binnen de Paulinische stroming zijn ontstaan) en slechts één evangelie.
De tekst van dit “Evangelie van Marcion” is niet als document op zichzelf teruggevonden, maar Tertullianus (ca. 160 – ca. 230) behandelt dit evangelie nagenoeg vers voor vers 3.
Het “Evangelie van Marcion” wordt traditioneel gezien als een bewerking van het evangelie van Lukas (gebaseerd op Epiphanius’ commentaar op Marcion). Maar Charles Waite (1881), John Knox (1942) en Joseph Tyson (2006) hebben voorgesteld dat dit juist een voorloper is van het Evangelie van Lukas en deze opvatting krijgt de laatste jaren steeds meer draagvlak onder wetenschappers, bijvoorbeeld bij Markus Vinzent, professor aan de afdeling Theologie en Religie-wetenschappen van King’s College London:
Opvallend is dat dit door Tertullianus gereconstrueerde evangelie van Marcion niet alleen overlap heeft met de synoptische evangeliën, maar ook met het Johannes-evangelie. Dit roept vragen op over de onderlinge afhankelijkheid.
Prof. Markus Vinzent heeft bepleit dat Marcions evangelie het eerste ‘evangelie’ in literaire zin was, geschreven rond 140 nC, en dat de canonieke Lukas-versie een anti-Marcionitische herwerking daarvan is. In zijn reconstructie zijn Marcus en Matteüs vervolgens ontstaan op basis van Lukas. Dit model plaatst de synoptische tradities dus ná Marcion en beschouwt het Marcionevangelie als de vroegste vorm van de Jezusbiografie. Dit is een goede verklaring voor:
- de universele (niet-Joodse) theologie die in allemaal te vinden is;
- overlap in verhaalstructuren;
- de christologische opbouw die toeneemt per evangelie;
- de uitbreiding van de canon na 150 nC.
Mark G. Bilby concludeert echter uit data-analsye van het Evangelie van Marcion dat de Q-bron én een vroege versie van het Evangelie volgens Marcus de bronnen zijn geweest voor het Evangelie van Marcion 4.
Zelf ben ik ook van mening dat Marcus het eerst geschreven evangelie is en dat dit kort na de verwoesting is geschreven, omdat deze datering naar mijn idee de beste verklaring biedt voor de verschillende lagen en de innerlijke spanning in het Evangelie volgens Marcus (zie Marcus’ Romeinse evangelie). Marcus zelf lijkt mij een bewerking te zijn van bestaande verhalen en zijn bewerking werd naar mijn idee gebruikt door Matteüs en Lukas. Van het bestaan van een Q-bron ben ik niet overtuigd. Alleen in de evangeliën van Marcus en Johannes kunnen we, op plekken met nauwkeurigheid in het noemen van plaatsen en tijden, voorzichtig enkele historische gegevens vermoeden over Jezus de Nazoreeër.
Forged
Hoewel een datering van een eerste versie van het Marcusevangelie kort na 70 nC aannemelijk is, blijft de datering van de andere canonieke evangeliën omstreden en is het niet uit te sluiten dat ze pas in de tweede eeuw zijn ontstaan. Daarnaast waren de teksten die circuleerden niet identiek aan de latere canonieke vormen. Onderzoek wijst erop dat de evangeliën redactionele lagen kennen. Dr. Bart Ehrman betoogt in zijn boek “Forged” 5 dat veel vroegchristelijke geschriften pseudepigrafisch zijn. Dat betekent dat veel van de evangelieteksten, brieven en geschriften die aan apostelen of andere bekende namen worden toegeschreven, eigenlijk door anonieme auteurs zijn geschreven, vaak lang na de tijd waarin ze beweren te zijn geschreven. Ehrman wijst erop dat dit fenomeen van “vervalsing” (milder gezegd: redactie) niet uniek is voor het christendom, maar dat het een veelvoorkomend verschijnsel was in de oudheid.
Een eerste canon mét de huidige vier canonieke evangeliën (de Canon Muratori) werd pas in 170 gevormd. Dat betekent dat de uitspraken en verhalen uit de oorspronkelijke bronnen gedurende lange tijd theologisch zijn geïnterpreteerd, aangevuld en herschreven.
Geconstrueerde “geschiedenis”
Ten slotte: in de literatuur van die tijd was het heel gebruikelijk dat geschiedenis werd “geconstrueerd”. Voorbeelden hiervan vinden we volop in de periode rond het begin van de jaartelling, zowel in joodse als niet-joodse geschriften. Voorbeelden hiervan in het vroege christendom zijn ook omvangrijk: er zijn meer dan 40 “evangeliën” en 7 “Handelingen” die elkaar op veel punten tegenspreken. We zien het ook in de manier waarop bijvoorbeeld Marcus’ evangelie is ingedeeld in terugkerende structuren.
Ook het gebruik van het woord “evangelie” is trouwens niet uniek voor het christendom. Het Griekse woord εὐαγγέλιον wordt meestal vertaald als “goed nieuws”, maar kan ook eenvoudig vertaald worden met “boodschap” of “welkome aankondiging”.
Dr. James D. Tabor schrijft hierover:
Er zijn verschillende Griekse inscripties en papyri die dateren van vóór de christelijke jaartelling, waarin een aankondiging van de geboortedag van keizer Augustus wordt verkondigd, met behulp van het woord “evangelie”. Deze teksten laten zien dat het woord algemeen werd gebruikt in Koine en dat het geen speciale religieuze betekenis had. 6
De conclusie van wat ik hierboven op een rijtje zet, is dat we de evangelieverhalen niet zomaar als historisch betrouwbaar kunnen zien. Maar wat beoogden en bedoelden de schrijvers dan wel?
Lees verder: Niet historisch maar mytisch
Lees verder over de geschiedenis van het boek Handelingen der Apostelen.
Of ben je benieuwd naar het mogelijk Aramese bronnenmateriaal waarvan de canonieke evangeliën gebruik hebben gemaakt?
- Het verhaal van Eusebius over Ignatius’ episcopaat en martelaarschap onder keizer Trajanus wordt door o.a. Dr. Richard Carrier (2014, 8.6) in twijfel getrokken, zodat deze vroege datering van Ignatius ook ter discussie staat. ↩︎
- Van Kooten, G. H. (2025). Echo’s van het goede nieuws: De evangeliën in context, toen en nu. Utrecht: Kok Boekencentrum Non-Fictie. ↩︎
- Opvallend is hierbij dat Marcion geen geboorteverhaal heeft (net als Marcus) en geen opstandingsverhaal, maar alleen een verhaal over verschijningen van Jezus. ↩︎
- Mark G. Bilby concludeert uit data-analyse van het Evangelie van Marcion en de synoptische evangeliën het volgende over de Q-bron en het Evangelie van Marcion:
Hypothese 1: De meeste materialen in het Evangelie volgens Marcion zijn afkomstig uit twee bronnen: een vroege versie van “Marcus” en de Q-bron. Het Evangelie volgens Marcion zou deze bronnen bewerkt en geparafraseerd hebben met minimale redactionele toevoegingen.
Hypothese 2: Waar Lucas parallellen heeft met Matteüs en/of het Evangelie van Thomas, en deze expliciet bevestigd worden door het Evangelie volgens Marcion, bevestigt dit hun bestaan in de Q-bron.
Hypothese 3: Waar het Evangelie volgens Marcion passages en verzen uit Q bevestigt in Lucas, is de volgorde van deze materialen te verkiezen boven de volgorde van Q-materialen in Matteüs. Dit suggereert dat het Evangelie volgens Marcion een nauwkeuriger weergave is van de oorspronkelijke volgorde van Q.
Hypothese 4: Waar Matteüs een parallel heeft met Lucas die niet in het Evangelie van Marcion voorkomt, is dit geen Q, en als het niet wordt bevestigd door het Evangelie van Marcion, is het waarschijnlijk ook geen Q. Deze hypothese suggereert dat Matteüs mogelijk afhankelijk is van Lucas op verschillende punten.
Hypothese 5: Waar het Evangelie van Marcion parallellen heeft met Lucas die niet in Matteüs of Marcus voorkomen, daar zijn dit toevoegingen aan Q. Deze hypothese suggereert dat sommige delen van Q die niet in Matteüs of Marcus voorkomen, wel in Lucas zijn opgenomen. ↩︎ - Ehrman, B. D. (2011). Forged: Writing in the Name of God—Why the Bible’s Authors Are Not Who We Think They Are. HarperOne. ↩︎
- Tabor, J. D. (2012). Paul and Jesus: How the Apostle Transformed Christianity. Simon & Schuster. Tabor laat ook zien dat met name Paulus het woord “evangelie” op een heel eigenzinnige manier gebruikt. Paulus verwijst naar “mijn evangelie” en bedoelt hiermee zijn eigen openbaring van het verborgen mysterie. ↩︎